Ervaringsleren
Zoeken
Home
Over ons
Links
Contact
Home » Nieuws

Reflectiemethodieken - Karine Vermeylen

1 reactie | reageer hier

Inleiding

In het faciliteren van ervaringsleren beoogt de begeleider het helpen ontdekken en bewust worden van onuitgesproken referentiekaders, veronderstellingen, denkbeelden, beweegredenen die aan de basis liggen van iemands gedrag en zijn gedrag bepalen. Waar gepast faciliteert de begeleider ook het ontwikkelen van deze referentiekaders, waardoor iemand meer/andere mogelijkheden verwerft om zichzelf en de werkelijkheid te percipiëren en te benaderen.
Elke interventie die dit ontdekken, bewust worden en ontwikkelen aanspreekt of bevordert, helpt het ervaringslerenproces mogelijks vooruit.  “Wat gebeurt er ?”, “Wat maakt dat je zo reageert ?”, “Ik merk dat je … wat betekent dat ?”, “Herken je dit van jezelf of van de ander ?”, … zijn vragen die zowel bij de voorstelling van een aanbod, als midden in een (outdoor)actie, als in het gesprek nadien zinvol kunnen zijn.

Ervaringsleren is op zichzelf niet gediend met tweeledig denken tussen doen en reflecteren. Bovendien zijn noch de actie, noch de reflectiemethodiek als dusdanig bepalend voor het proces. Het is waarschijnlijk niet alleen de kracht van de vraag of opdracht, maar “de kracht van de vraagsteller”, zijnde : het moment waarop de begeleider ze aanbrengt, de manier waarop hij ze hanteert, de procesgerichtheid in zijn denken, handelen en begeleidershouding.



De beschreven reflectiemethodieken zijn bedoeld als hulpmiddel in het creatieve zoeken van de begeleider - ze zijn ook van daaruit ontstaan en bijeengebracht. Met dank aan de deelnemers van de Outward Bound® opleidingen ervaringsleren en procesbegeleiding.


maart 2008
Karen Vermeylen


Reflecteren via -kleine- theoretische modellen/kapstokken

1. Comfort en groeizone*

Na een activiteit plaatsen deelnemers zichzelf, en attribuut van zichzelf, een kleurstip op blad, … op een positie, of op meerdere posities die aangeven in welke zone ze tijdens de activiteit, of op een bepaald moment gedurende de activiteit geweest zijn (in hun beleving).
Wat betekent het voor hen om op die positie -in comfortzone, in groeizone- te zijn ?
Wat betekent het om voortdurend in hun comfortzone te blijven ? Is dit een herkenbaar patroon ? Als begeleider kan je hierover feedback geven.
Wat gebeurt er met iemand zo gauw hij aanvoelt op de grens tussen comfort- en groeizone terecht te komen ? Welke gevoelens, gedachten, patronen, weerstanden, … spelen daar ? Wat kan iemand zelf doen, wat heeft iemand nodig in of vanuit zijn omgeving om de grens van comfortzone naar groeizone te overschrijden , en nieuw gedrag te verkennen ?

1b. comfort-rek-paniekzone
Werken met de drie cirkels waarin deelnemers iets kunnen tekenen, bij een sfeermoment een eigen kaarsje plaatsen. De cirkels kunnen ook laddersgewijs vorm krijgen. Vb. telkens 5 sporten per zone. Op die manier kunnen deelnemers ook aangeven, met linten, hoe groot de stap die ze gezet hebben voor hen aanvoelt. Nl. 1 sport uit de comfortzone, of 3 …
Wat heeft geholpen om die stap te zetten ? Hoe kan je ervoor zorgen dat je dat nieuwe (de gezette stap) volhoudt, ook in dagdagelijkse dingen zet ?

1c. op de grens
* Nadler, R. & Luckner, J. (1997). Processing the experience. Strategies to enhance and generalize learning. Dubuque, Iowa : Kendall/Hunt.
Wat gebeurt er met de jongere op de grens ? Reflecteren “on the edge” betekent dat de begeleider niet wacht tot na de actie, maar tijdens het moment zelf of zo vlug mogelijk erna bevraagt wat er gebeurde. Dit kan individueel, of kort : hoe is het ? wat gebeurt er ?
Op de grens spelen allerlei belevingen, gevoelens, gedachten, herinneringen, angsten. De jongere helpen deze bewuster te worden is belangrijk in een leerproces.

 

2. Procesdriehoek

In een individueel gesprek kan de begeleider samen met de jongere proberen deze driehoek in te vullen. Hoe kan de jongere, met hulp van begeleiding, in de leefgroep, op traject, naast het gekende patroon, -dat niet meer functioneel is of tot straf leidt, of (zelf)destructief is-, een andere gedrag ontwikkelen dat helpt om te groeien ?
Misschien is dit model voor jongeren te moeilijk. Het is ook werkbaar voor begeleiders om zicht te krijgen op iemands functioneren en groeimogelijkheden.

 

3. Andere kapstokken …

Iemand plaats zich, of schrijft of legt iets bij die “hoek” in het model waar hij het meest mee bezig was tijdens de actie. Wat hij het belangrijkst vindt. Waarom ?
Belangrijk is om ook het totaalbeeld te bekijken. Als alle deelnemers iets leggen bij “ik”, betekent dat waarschijnlijk weinig bekommernis om de anderen, weinig samenwerking, enz … Hoe kunnen we, willen we meer bezig zijn met “we”-aspect ?


Reflecteren rond gevoelens / beleving

1. Kaartjes met gevoelens

Na een activiteit, of gewoon op het einde van een dag in de leefgroep, op kamp, op traject, noteren deelnemers 2 of 3 gevoelens die ze hadden de voorbije actie of de voorbije dag op verschillende afzonderlijke blaadjes.
Voorgeschreven, of bestaande kaartjes met gevoelens, of prentkaartjes waarop gevoelens zijn verbeeld kunnen even goed gebruikt worden. Elke deelnemer kan er 2 of 3 kiezen.
Alle kaartjes worden verzameld in een doos. Deelnemers hebben mekaars kaarten, woorden niet gehoord of gezien. Er wordt telkens 1 kaartje uit de doos getrokken en deelnemers raden van wie het kaartje komt. Waarom iemand dat zou gekozen hebben. Op die manier geven deelnemers mekaar ook feedback. De schrijver van het gevoel kan zelf verwoorden van waaruit hij dat gevoel of prentje heeft gekozen.

2. Belevingslijn

Elke persoon tekent een belevingslijn. Op de horizontale as wordt de tijd aangegeven, op de vertikale as komt een “score” : vb. – 10 … over 0 … tot +10. Deelnemers tekenen hierop momenten uit die de voorbije dag, de voorbije activiteit voor hen een hoogtepunt betekenden, en die voor hen een laagtepunt betekenden.
Welke momenten zijn dat ?
Wat maakte dat moment tot een hoogtepunt, een laagtepunt ?
Welke beleving, gevoelens hebben de deelnemers bij hun moment ? Wat betekent het voor hen ?
Wat hebben ze eruit geleerd ? Hoe kunnen ze eventueel bij een volgende keer voorkomen, of vermijden, of anders met de situatie en mekaar omgaan, zodat wat nu een laagtepunt is een hoogtepunt zou kunnen zijn ? Wat hebben ze zelf gedaan waardoor een situatie voor hen een hoogtepunt is geworden ?

Dit idee kan zeer breed worden in tijdsperspectief. Iemand kan zijn levenslijn uittekenen. Bijvoorbeeld ter vervanging van het uitschrijven van zijn levensverhaal. Wat zijn hoogtepunten, of laagtepunten in iemands leven ?? Lange flappen, of stukken behangpapier zijn bruikbaar.
Iemand kan tekenen, schrijven, post-its plakken, krantenknipsels erbij kleven, titels, prenten, ….

3. Mimürfel*

*Te koop in : Centrum voor informatieve spelen – naamsesteenweg – leuven.
Op elke zijde van de dobbelstenen staat een gezichtje met een andere uitdrukking.
Het lijken ☺blij, ☺boos, ☺verrast, ☺☺… maar eigenlijk kan iedere deelnemer zelf betekenis geven aan de uitdrukkingen.
Verschillende spelmogelijkheden :
O.a.
- Een jongere laat de dobbelsteen rollen, en bij het gezichtje dat bovenaan komt te liggen, vertelt hij een passende ervaring vanuit de voorbije dag.
- De begeleider stelt een vraag, vb. hoe heb je de voorbije dag ervaren, kies één, of een tweetal gezichtjes, die iets vertellen over wat je het meest is bijgebleven vandaag.
- Iedereen heeft een dobbelsteen en tekent op een kaart het gezichtje dat meest bij zijn beleving past. Dat kan een identieke kopie zijn van een gezichtje op de dobbelsteen, of een combinatie of een zelf bedachte passende creatie. Alle kaarten samen leggen geeft een zichtbaar groepsbeeld, dat ook besproken kan worden.

Op clip art (pc) staan honderden plaatjes met gevoelsuitdrukkingen, om kaarten, een dobbelsteen, … wat dan ook van te maken.

 

4. Zelf mimiek leggen

 Op tafel, op de grond ligt een grote flap papier waarop 2 ogen zijn getekend. Met behulp van een touw leggen deelnemers om beurt “de mond” in het gezicht. Zij geven met dit touw, en vooral de vorm waarin ze het leggen, hun beleving weer tijdens de actie, tijdens 2 belangrijke momenten de voorbije dag.
Deze werkvorm kan ook per 2, waarbij een jongere met het touw de beleving van de andere legt. Of wat hij althans als beleving bij de nadere gezien heeft of vermoedt. Dit betekent inlevingsvermogen, oog hebben voor de andere, feedback geven.

5. Kopie blad met ventjes in de boom*

Dit kan ook zelf getekend worden op een grote flap. Begeleider tekent een boom, deelnemers plaatsen er zichzelf in. Zowel de mimiek als de plaats van iemand kunnen betekenis hebben.
Waarom staat iemand naast de boom, en alle anderen in de boom? Wat betekent het om in de top van de boom te zitten ? Wat betekent het om uit de boom te vallen ?

Ook het groepsbeeld kan besproken worden. Wie zitten er altijd naast mekaar op de tak ? Wie verschuilt zich achter de boom en is niet zichtbaar in de groep of verstopt zich ?

6. Standbeelden

Iemand (A) modelleert iemand anders (B), alsof B een blok klei was, en zet B “in een vorm” die weergeeft hoe A zich voelt. Vandaag ? Hoe A morgen zou willen zijn, enz…
Bijkomende reflectiebron is niet alleen wat A zelf voelt en wil weergeven en waarover A wil vertellen, maar ook B kan zelf aangeven hoe “de vorm” voelt waarin A hem zet.
Ook de plaats waarin A de andere B zet, kan veelzeggend zijn. Vb. in een hoek, met zijn rug naar de anderen, alleen, …

7. Strips, stripfiguren, en boeken waarin in eenvoudige tekeningen aangeleerd wordt hoe gevoelens te tekenen, zijn een inspirerend hulpmiddel.

8. Atlas van de belevingswereld

De begeleider maakt een selectie van namen als bruikbare of inspirerende voorbeelden : chaoscity – bergen van frustratie – rustpunt – zee van ideeën – eenzaam eiland – enz … enz …
Iedere deelnemer tekent zelf de afgelegde weg en de plaatsen die hij passeerde doorheen de voorbije activiteit, dag, of langere preiode. Alle kaarten kunnen bij mekaar gelegd worden.

In een volgende activiteit kan erop teruggeblikt worden. Heb je een andere weg afgelegd ? Wat maakte verschil ?

De begeleider kan ook zelf vooraf op een grote flap een aantal steden en gebieden aanbrengen. Iedere tekent met een eigen kleurstift de afgelegde weg, op dezelfde kaart. Waar ben je aanbeland ? Wat betekent het om daar te zijn ? Waar wil je naar toe ? wat kan of zul je daar zelf voor moeten doen ?


Positieve – negatieve, maar constructief geformuleerde feedback

1. Appreciatiemomenten

Ieder beschrijft een “moment van appreciatie” voor iemand anders, tijdens de voorbije actie, de voorbije dag in de leefgroep, … of voor zichzelf.

2. Blad op de rug

Iedere deelnemer heeft een papier op de rug, waarop anderen bijvoorbeeld, een positief punt, een leerpunt, … kunnen schrijven

3. Het vervoermiddel

Kan met een tekening, maar ook concreet. Vb. een fiets, een tractor met aanhangwagen, enz …waarop deelnemers met post-its plakken welk onderdeel zij zelf en de anderen zijn. Of ze tekenen er de ontbrekende delen bij naar eigen keuze die aangeven wat ze zijn. Of zouden willen zijn ? Of wat er ontbreekt om samen goed te kunnen rijden ? Wie heeft de kwaliteiten om dat ontbrekende toch proberen te realiseren in de toekomst ??

4. Spervuur

Gedurende 1 minuut voor elke deelnemer mogen de anderen :
- positieve aspecten van die persoon benoemen + 1 meest typerend er uit te selecteren
- kwaliteiten omschrijven
- woorden associëren die de persoon kenmerken
- wensen formuleren
- werkpunten formuleren

Nadien kan er tijd worden gemaakt om :
- langer uit te wisselen
- de ontvanger vragen ter verduidelijking te laten stellen
- samen een symbool te zoeken dat het meest die bepaalde persoon kenmerkt (als verankering naar bijvoorbeeld een volgend moment)

5. Postkaarten

Uit een reeks van postkaarten mag iedere deelnemer er 2 kiezen. 2en die hij toestuurt aan zijn rechterbuur, één voor zijn linkerbuur. Je kan ook 2 plaatsen overslaan, want soms gaan “vrienden” wel eens naast mekaar zitten.
Wat stuur je de andere toe ? Wat is de betekenis die jij er aan geeft ?
Hoe ervaart de ontvanger het ??


Positioneren in de ruimte

1. Met de groep zelf

Tijdens een activiteit kan de begeleider de actie stoppen en vragen aan de deelnemers te kijken hoe ze staan. Wat vertelt dit ? Bijvoorbeeld bij een overlegmoment als er opvallend door mekaar gepraat wordt in een opstelling waarbij de deelnemers mekaar niet aanspreken, niet “zien staan”. Of bij een samenwerkingsmoment waarbij er bijvoorbeeld 3 van de groep flink bezig zijn, en 4 er met hun handen in hun zakken staan op te kijken.

Na de actie kan de begeleider of iemand van de groep een moment uitkiezen dat tijdens de actie belangrijk was, en de hele groep opnieuw positioneren zolas ze op dat moment tegenover mekaar stonden. Wat vertelt deze opstelling ? Wat leren ze er uit ? Is er een andere opstelling mogelijk ? Welke ? Laat deze ook opstellen. Wat is het verschil ? Hoe voelen mensen zich in beide opstellingen ?
Voorbeelden : iemand maakt een uitschuiver bij het aantikken van de kaartjes en laat de groep daardoor tijd verliezen. Iemand staat afwezig te kijken bij het balspel, en mist daardoor steeds de bal.

2. Zich positioneren op een lijn volgens beleving of waarde

Er zijn veel dimensies mogelijk op een continuüm.
Voorbeelden :
- een rechte lijn tussen 100% en 0% tevredenheid met het resultaat,
- tussen 100 en 0% kwaliteit afgeleverd bij het bereiken van een resultaat na een actie, na de poetsbeurt, …
- tussen een goed, prettig gevoel over de manier waarop er werd samengewerkt en een lastig, ontevreden gevoel
Na het positioneren, dat onmiddellijk veelzeggend is, kunnen deelnemers toelichten waarom ze die positie gekozen hebben.

Feedbackvorm : staat iedereen juist op de lijn. Is er iemand die je zou willen verschuiven, bijvoorbeeld in de richting van “heeft meer-minder bijgedragen in de samenwerking”.

3. Naast of bij iemand gaan staan …

Vanuit verschillende keuzemogelijkheden :
- bij wie voelde ik me veilig tijdens de voorbije actie. Wat heeft die andere gedaan ? Hoe hebben we dat samen gedaan ?
- met wie van de groep zou je samen willen … iets moeilijks doen, klimmen, een babbel doen ? Waarom kies je die andere ? Wat kan hij goed ?

4. Zich plaatsen “in een bus”, “op een voetbalveld”, “in een circus”, …

Kan individueel, met de groep.
De begeleider vraagt iedereen een voor zichzelf betekenisvolle plaats in te nemen in de geschetste situatie. Die kan uitgezet worden in de ruimte (vb. een busopstelling), of getekend worden op een groot blad (vb. een voetbalveld, een circus, …). Waar zet je jezelf ? Iedereen doet dat samen in de ruimte, of tekent zich ergens op het blad ♦. Iedere deelnemer licht toe waarom ? Wat betekent die plaats, die functie voor jou ♠? (vb. bankzitter, circusdirecteur, naast de buschauffeur, …). Hoe voelt het om op die plaats te staan ♥?
Een tweede ronde kan toekomstgericht zijn. Op welke plaats zou je in de toekomst willen staan ? Van waaruit ? En waartoe ? Wat moet je doen om daar te komen ? Welke mogelijkheden heb je zelf ?♣

5. Tableau vivant

Iemand positioneert de anderen en geeft zo een moment aan dat voor hem betekenisvol, belangrijk was. Er kan een foto van het tableau vivant genomen worden, of aan de anderen worden gevraagd welk moment dat was, welke beleving, betekenis het voor hen heeft.
Een tweede tableau vivant, en een foto daarvan kan samen gemaakt worden. Dit vanuit de vragen :
(1) hoe kunnen we iets veranderen ? wat kunnen we veranderen ?
(2) ieder voor zichzelf ?  de groep in onze interactie ?
zodat we beter samenwerken ? beter luisteren naar elkaar ? minder vlug agressief reageren ? minder vlug opgeven ? langer samen kunnen doorgaan ?

Beide foto’s + de afspraken ertussen kunnen als “reminder” worden opgehangen. Na een tijd kan geëvalueerd worden of er iets van die afspraken gerealiseerd wordt. Of er nieuwe afspraken moeten gemaakt worden ?

6. Op een afstand van een doel, of een kwaliteit, een kenmerk

In het midden van een ruimte (binnen of buiten) ligt een cirkel, of een voorwerp dat symbool is voor een “te bereiken doel” of een “kenmerk”. De jongeren nemen positie in ten opzichte van dat doel, of dat kenmerk : ver – nabij. Ze kunnen zelf op die plek staan, of er een schoen (of iets anders) van zichzelf achterlaten (wat het spreken erover nadien met elkaar vergemakkelijkt).

Voorbeelden :

De afstand die iemand inneemt of aangeeft ten opzichte van het centrum toont in welke mate hij/zij zich dichtbij of ver van het vooropgestelde doel voelt. Of in welke mate hij/zij van zichzelf vindt dat hij aan de omschreven kwaliteit heeft bijgedragen. In welke mate vind je van jezelf dat je goed hebt samen gewerkt ? Ver van het centrum is weinig bijdrage, dichtbij betekent een goede bijdrage tot … dat bepaalde criterium.

Deelnemers kunnen elkaar -in tweede instantie- ook feedback geven. Staat iedereen juist ? Wil je iemand op een andere plaats zetten : dichter – verder, en waarom ?

Ook de weg – de afstand tussen de plek waar iemand staat en het doel of het kenmerk kan betekenis krijgen. Wat kan je doen om dichter bij je doel te komen ? Wat kan je doen een volgende keer om anders/beter samen te werken en dichter bij het kenmerk te staan ? Op die manier wordt vooruit geblikt ♣, worden afspraken gemaakt die nadien ook geëvalueerd kunnen worden. Op die manier zijn linken mogelijk tussen acties (samenwerkingsopdrachten, spelmomenten, tochten trajecten, …) en dagelijkse momenten (samen afwassen, poetsen, leefgroep-bewonersvergadering, …).

Er kan ook (letterlijk) achteruit geblikt worden.
Voorbeeld : een groep is ‘s ochtends vertrokken op tocht ( = startpunt) en ‘s avonds toegekomen op de doel-plek. Hoe heb je de weg tussen start en doel ervaren, zelf mee-gemaakt ? De vorm van de lijn tussen beide punten, symbooltjes onderweg, enz … zijn non-verbaal vaak voldoende en veelzeggend. Er hoeven niet altijd veel woorden aan toegevoegd.

Voorbeelden :

In plaats van de ruimte te gebruiken, kan dit ook op grote papierrollen (oud behangpapier) uitgetekend worden.


Korte niet-verbale momenten

1. Toon met je lichaam hoe je je voelt

2. Toon met je duim hoe je de voorbije actie hebt beleefd

3. Geef met je 5 of 10 vingers een score omtrent …
- tevredenheid bij de voorbije activiteit, de mate waarin je jezelf hebt ingezet tijdens de voorbije activiteit, de manier waarop er samengewerkt werd, waarop er naar mekaar geluisterd werd, over de voorbije dag
De begeleider stelt hierbij de vraag, en iedereen toont tegelijk zijn score. Daarna kan er toelichting komen : van iedereen, van wie wil, van de uitersten , enz …

Dit kan ook dienen als feedbackmoment waarbij ieder een score geeft voor bijvoorbeeld zijn linkerbuur.

4. Een figuur invullen
Ieder heeft een blad met een eenvoudige figuur. Ben je meest bezig geweest met je hoofd (denken, of helemaal niet nadenken en doen), of met je handen (doen zonder denken, uitproberen zonder overleg) of met je hart (heb je er vanalles bij gevoeld).
- Ieder tekent bij hoofd, hart en handen iets
- het lichaamsdeel dat meest gebruikt werd, wordt extra in de verf gezet

Of de begeleider geeft aanzetten. Bij individuele bespreking, bij groepsbespreking.
- wat ligt er op je lever ? op je maag ? waar moest je vandaag van kotsen ?
- waar heb je vandaag meest over gedacht ?
- wat is een grote (harte)wens in je leven ?
- wat ligt het zwaarst op je schouders ?
- waar wil je tegen schoppen ?
Dit vraagt vaardigheid van de jongere om met beeldspraak en metaforen om te kunnen gaan. Jongeren kunne, schrijven, tekenen bij de figuur, iets bijplakken uit tijdschriften of kranten, iets vertellen.

Dezelfde figuur kan “lang” gebruikt worden en telkens aangevuld, aangepast worden.
Ook een stuk “levensverhaal” kan op die manier besproken worden. Wat brengt iemand mee van thuis, vanuit zijn vriendengroep, Al deze stukken kunnen een plaats krijgen in en rond de figuur op een groot blad.

5. Woordkaarten
De begeleider selecteert vooraf een aantal woordkaarten (uit een bestaand aanbod, vb. OH-kaartenset, of schrijft ze zelf zodat de woordselectie aansluit bij de taal van de doelgroep). Iedere deelnemer krijgt 2 woordkaarten en kiest hieruit 1 woord dat voor hem het meest herkenbaar aanwezig, voelbaar, zichtbaar was in de voorbije actie.
Door de selectie vooraf wordt het aantal keuzemogelijkheden beperkt, wat voor deelnemers die moeilijk kunnen structureren of kiezen uit een teveel helpend is. Belangrijk is dat de begeleider een “open selectie” maakt.

De gekozen woorden kunnen kort toegelicht worden, of niet. Ook het samen leggen van de woorden kan een groepsbeeld geven dat zinvol is om bij stil te staan.


Zichzelf voorstellen, iets persoonlijks vertellen

1. Je eigen voornaam , je totem
Een bijvoeglijk naamwoord bedenken dat bij je past en begint met dezelfde letter als je eigen naam. Of dat gewoon bij je past, of iets zegt over een goede kwaliteit die je bezit. Bestaande kaartjes met allerlei bijvoeglijke naamwoorden, woorden, kwaliteiten, … kunnen helpen als deelnemers zelf over (te) weinig taal beschikken.
Vb. woeste willem, taaie tom, aangename ann, …

Misschien hebben deelnemers een bijnaam. Hoe hebben ze die gekregen ? Vinden ze dat die bij hen past ?

Totems bestaan uit een bijvoeglijk naamwoord en een dierennaam, en geven samen iets aan wat de persoon typeert. Het kunnen beide positieve eigenschappen zijn, of er kan gekozen worden tussen ernerzijds iets wat de persoon al bezit of is en anderzijds iets wat de persoon nog te ontwikkelen of te leren heeft.
Iedere kan voor zichzelf een bijvoeglijk naamwoord bedenken, of enkelen, de groep kan die samen voor iemand anders bedenken.
Welke totem hoort bij wie ? Er staan 10 totems op een bord ? Welke zou je willen ? Waarom ? Welke past meest bij wie ? In dit laatste wordt het meer een feedback-rondje. In een 1op1-gesprek kan de begeleider samen met de jongere kijken in een lijst van bijvoeglijke naamwoorden en dieren, wat best bij de jongere past, en waarom.

2. Je eigen voorpagina van de krant, je eigen krantenkop, je eigen krantenartikel
Zelf te schrijven, te tekenen, met eigen foto’s, samengesteld uit bestaande krantenartikels of krantenkoppen.
Wat is de “naam” van mijn krant ?
Wat houdt me bezig ?
Wat zijn de (weers)verwachtingen ?

3. Wat zit er in je broekzakken ?
Ook al hebben de jongeren hun persoonlijke spullen moeten inleveren bij het binnen komen, het kan zinvol zijn om hen te vragen wat ze daarvan het meest missen ?
Wat van de spullen die iemand bezit (bezat), zegt het meest over hem ?

4. Welk dier ben je ?
Kaarten met dieren (uit een oud fotoboek, van google-afbeeldingen).
Mogelijheden :
- ieder kiest voor zichzelf een dier waarmee hij zich zelf het best kan vergelijken. Welk dier ben je , en waarom ? Welke eigenschappen heeft dat dier die jij ook hebt ? Het is snel, sluw, handig, schuw, leeft vooral ’s nachts, …
- van welk ander dier zou je een eigenschap willen hebben, wat je nu niet bezit ? Indien het kopies zijn van kaarten, kunnen deelnemers op hun eigen kaart bijtekenen wat belangrijk is om te leren. Vb. de grote geluidgevoelige oren van een hond, om beter naar de andere te kunnen luisteren.

- iemand geeft een dierkaart aan iemand anders omdat hij die andere in de voorbije activiteit met een bepaalde eigenschap / kwaliteit ervaren heeft.
- de groep zoekt onder begeleiding welke kaart voor iemand best zou passen. Zo wordt er gemeenschappelijke feedback uitgewisseld en kan de begeleider het gesprek + de inhoud in de hand houden.

- ieder kiest een afbeelding van een dier dat past bij zichzelf zonder dat anderen dit zien. Alle afbeeldingen worden verzameld in een doos. Bij elke afbeelding (elk dier) dat uit de doos genomen wordt zoeken de anderen bij wie dat dier best past. Waarom ? Omwille van welke eigenschappen en kwaliteiten ?

5. De vijf vingers van je hand
De duim staat voor iets waarin je goed bent, uitblinkt, waarvoor je zelf of anderen de duim opsteken. Een positieve kwaliteit, eigenschap, waarvoor je gewaardeerd wordt, iets dat je van jezelf knap vindt, dat een pluim verdient. Iets dat je als een positieve bijdrage kan / wil inzetten.
De wijsvinger geeft richting aan. Waar wil je naartoe in de nabije / verrre toekomst. Waar streef je naar. Wat wil je realiseren. Wat is je droom, je verlangen, je ontwikkeltaak ? Wat is belangrijk in je leven om te bereiken ?
De middelvinger staat voor “fuck you” … Waarvoor of wanneer steek je die op ? Waaraan heb je een hekel ?Wat haat je, stoort je.
De ringvinger staat voor verbondenheid. Waarmee, met wie voel je jezelf, in je leven, verbonden ? Wat, wie ligt je nauw aan je hart ? Waarvoor voel je je wel eens bezorgd ? Wat houd je wel eens wakker ?
De pink staat voor een kleine kant van jezelf. Wat is een minder goeie of slechte eigenschap ? Een valkuil waarin je wel eens tuimelt ? Een zwakte ? Wat is moeilijk om toe te geven, of te erkennen, maar speelt je wel eens parten ?

Je kan alle vingers overlopen. Je kan ook een bewuste selectie maken, afhankelijk van de situatie of de groep waarmee je werkt.

6. Collages


Dagboeken, levensverhalen, … alternatieven voor “lange termijn-reflecties”

1. De zee als metafoor
Samen met de deelnemers wordt op een groot blad een zee, strand, … geschilderd. Met alles wat hierbij te associëren valt : woeste golven, palmbomen, een tsunami, rustig kabbelende witte golfjes, een draaikolk, een haai, … enz. Dit kan in de leefgroep, bij het begin van een project, een traject, … Het kan ook in stukken worden uitgewerkt, waarbij elke dag afhankelijk van die gevoelens een stuk wordt aangeschilderd.
Elke deelnemer heeft voor zichzelf een symbooltje dat als reflectie op een bepaalde plaats op deze “zee” geplaatst wordt. Elke dag, na een actie, kan dit symbool verschoven worden ..
Waar sta je vandaag ? Wat wil je daarmee zeggen als je jouw symbool daar zet ? Wat betekent dat voor jou ? Sta of zit je daar graag ? Wil je daar iets aan veranderen ? Waar zou je graag/liever zijn ? Wat betekent dat voor jou om daar te zijn ? Wat kan je concreet doen om daar te “geraken” ? Wat/wie heb je daarbij nodig ?

2. Een eigen kaart tekenen, atlas van de belevingswereld
Dit kan zeer concreet, vb. teken de belangrijkste dingen (feiten ♦) die je op de tocht vandaag bent tegen gekomen. Daarna kan gepeild worden naar gevoelens ♥. Vb. duid aan wanneer/waarbij je jezelf goed, slecht, boos, alleen, prettig in de groep, … hebt gevoeld. Hoe komt dat ? Wat betekent ♠ dat voor jou ?

Teken de “tocht van je leven” tot nu toe. (liefst in deelstukken). Wat is belangrijk ? Wat betekent dat ? Creatieve gasten kan je zelf laten tekenen. Anderen kan je hulpmiddelen aanreiken : kaarten, prenten uit tijdschriften, kopies van kaarten uit “Atlas van de belevingswereld”, die verknipt, aangepast of waaraan verder getekend kan worden.

3. Krantenknipsels
Schrijf de belangrijkste feiten uit je leven. Je kan daarbij kranten aanreiken, waaruit koppen of tekst of foto’s, kunnen worden gebruikt. Wat betekent dat voor iemand ?
Welk krantenartikel over jezelf zou je morgen willen zien verschijnen ? Of welke krantenkop wil je morgen over jezelf in de krant zien staan ? Hoe kan je dat realiseren ? Wat kan je zelf doen daartoe ? Wat kan de begeleider doen ? Wat kan in de relatie gebeuren ? Wat moet er in jezelf, in je gedrag veranderen ? Welke mogelijkheden in jezelf moet je dan ontwikkelen ? Hoe kan de begeleider daarbij helpen ??

4. Foto’s
Er kan gewerkt worden met echte foto’s. Naar aanleiding van een actie, een project, een traject. Digitaal heeft veel mogelijkheden.
Welke 2 of 3 foto’s kiest iemand ? Wat is de betekenis ervan voor iemand. Kan hij er een 4de foto uit de toekomst bij verzinnen, bij tekenen ? Wat zou daar op staan ? Kan je die realiseren ? Wat moet je daartoe zelf doen ?

Naar aanleiding van iemands levensverhaal kan gevraagd worden naar foto’s (in zijn gehuegen) van belangrijke momenten. Wat betekenen ze in iemands leven ? Wat hebben ze met iemand gedaan ?

5. Andere mogelijkheden met foto’s, video
Deze methodiek kan confronterend, en daardoor juist erg goed werken. Het kan een selectie zijn van foto’s, waarbij allerlei dingen op flappen kunnen geschreven worden. Of, uit het geheel van foto’s kunnen deelnemers er één of enkele kiezen, afhankelijk van de vraag die de begeleider stelt. Het leukste moment, het moeilijkste moment. Hoe kwam dat ??
Een groepsfoto nemen bij het begin van een traject, project. Op de bijhorende flap er rond kan ieder iets van zichzelf schrijven, op dat moment. Feitelijkheden ♦, wie ben ik, wat zijn hobby’s, waarvan houd ik, … Gevoelens en beleving ♥ op dat moment, en waar wil ik met deze groep naartoe, wat wil ik leren/kunnen ♣, wat is mijn engagement daarvoor ? Op het einde kan opnieuw een foto gemaakt worden. Wat is veranderd ?

Video kijken. Hoe hebben jullie deze opdracht opgelost. Wat maakte dat het zo goed ging ? Dat het niet lukte vandaag ? Wat zou je anders willen/kunnen doen morgen ?

6. Een (fictieve) geheimendoos
Ieder heeft een doos waarin anderen niet mogen kijken, waarin ieder gaandeweg een aantal dingen verzamelt die symboolwaarde hebben en belangrijk zijn o.w.v. beklijvende ervaringen. Af en toe wordt in een reflectiemoment kans gegeven voor ieder, om naar keuze, iets uit de doos te halen. Wat betekent het. Wat wil je, vanuit dit symbool, veranderen ?

Dit kan zeker in een individuele begeleiding. Is er iets in je doos dat de jongere vandaag met de begeleider wil “bekijken”, bespreken ? Omwille van het afwezig zijn van concrete voorwerpen, kan iedere geheim de symbolische vorm hebben van een kleine kaart, een tekening, …
    
7. Bij een kampvuurmoment, symbolisch dingen achterlaten, verbranden, op papiertjes, …
Bijvoorbeeld aan het einde van een dag, van een project, een traject, een kamp. Waarschijnlijk bestaan er ook creatieve mogelijkheden om dingen in individuele besprekingen -op de kamer- symbolisch achter te laten : in de doofpot steken, verscheuren, een groot kruis over zetten, …

8. Racebaan van verwachtingen
Een mogelijkheid om een verblijfs-traject van een jongere in de toekomst uit te tekenen. De racebaan begint uiteraard bij start : daar waar de jongere staat. Welke positieve mogelijkheden heeft hij in zich ? Wat heeft hij te leren ? Te veranderen ? Hoe beleeft hij zichzelf in/en zijn situatie ? Dit kan uitgebeeld worden met kaarten, woorden die symbool staan voor iets.
De racebaan is uitgetekend in deel-trajecten. Wat is een eerste stap ? Tot aan de eerste pit-stop ? Hoe vordert iemand ? Wanneer gaat de jongere uit de bocht ? Wat betekent bij-tanken ? Bij wie kan hij bijtanken ?
Wat betekenen straftijd en strafpunten ??
Waar ligt zijn einddoel ? Welke tekening of kaarten symbolisreren dat ? Uitzicht op een realistisch doel op het moment dat de jongere de instelling weer zal verlaten, of aan het einde van een traject geeft perspectief en hoop. Hoe deel je de lange racebaan op in kleinere haalbare en realiseerbare concrete deel-trajecten ? Visueel kan dit allemaal uitgezet worden. Symbolen, kaarten, foto’s, prenten, krantenkoppen, titels of fragmenten uit songs, ….

Hoe ver staat de jongere in zijn eigen beleving nog verwijderd van zijn doel ? War staat zijn racewagen op de baan in afstand tot de finish ?
Lange stroken behangpapier, of eindstukken van papierrollen uit drukkerijen zijn handig.

9. Een levensverhaal afmaken, onderbreken, het verloop ervan wijzigen
* A. Boal, Theatre of the Oppressed
Verzonnen of bestaande of eigen levensverhalen van jongeren uitschrijven. Waar herkent de jongere zich in ? Waar wil hij het verhaal een andere wending geven / herschrijven / hertekenen ? Hoe wil hij het verhaal laten eindigen ?
Welke mogelijkheden heeft hij zelf daartoe ? Wat wil hij zelf daarvoor doen ?

10. Je eigen wapenschild
Een wapenschild heeft verschillende “delen”.
Een deel vertelt de eigen kleine levensgeschiedenis (wat geweest is), een ander deel zegt iets over het nu, een derde deel zegt iets over de toekomst (verwachtingen, waar wil de jonger naar toe, welk toekomstperspectief heeft de jongere).
Wat is zijn motto ? Zijn lijfspreuk ?
Dit kan met beelden, kleuren, foto’s.  Het kan veranderen, groeien, aangepast worden, in een gesprek, bevragen, uitwisslen tussne de jongere en de begeleider. Een nonverbaal alternatief voor een levensverhaal uitschrijven.

Het tekenen, zoeken naar foto’s in tijdschriften, tekst in kranten, beelden, doet de jongere stilstaan en focussen. De gedachte vertraagt en de beleving komt hopelijk door goede vragen naar voren.

Zinvol om in fasen te werken. Niet het hele schild ineens. Laat de jongere kiezen waarmee hij wil beginnen. Wat hij eerst wil vorm geven / prijs geven.

11. Muziek
Welke muziek, songtekst, titel past bij een belangrijke ervaring in het leven van de jongere ? Als jongeren lange tijd op hun kamer doorbrengen, kan het zoeken naar gepaste muziek  (wat tijdrovend is) misschien helpen.

12. De atletiekpiste
Kies een betekenisvolle sport voor de doelgroep waarmee je werkt.
Voorbeeld : horden
- Zet de horden symbolisch uit. Deelnemers nemen ruimtelijk samen hun plaats in : toeschouwer, aan de start, de eerste horde reeds genomen, …
- Breng het over op een grote flap. Dit vergemakkelijkt het bespreken. Waar ta je ? Wat betekent dat ?
- Hoe is het voor iemand om daar te staan ? Dat kan met woorden. Maar iedere persoon kan ook een postkaart op de flap leggen bij zijn paangegeven plek. Wat symboliseert die kaart . Beleving en betekenis ??
- Waar wil je naartoe ? Iedere deelnemer tekent dit met een kleurstift. Hoe kan je dat ? Wat is daarvoor nodig ? (let op : teruggaan tekenen kan best vooruitgang betekenen …)

13. Terugblik op een afgelegd traject met leerervaringen
In deze methodiek speelt de kracht van de groep en relationeel leren.
Iedere deelnemers tekent of symboliseert 1 of enkele momenten uit het afgelegde traject die beklijvend/beduidend zijn geweest : waarvan hij zelf vindt dat er een belangrijke (leer)ervaring is geweest.
De anderen beluisteren de korte omschrijving (de situatie), en/of herkennen het moment omdat ze het mee maakten. Iedereen, behalve de eigenaar van de leersituatie, noteert een beleving/gevoel bij de situatie : hoe denk je dat het voor die andere in deze situatie was ?
De eigenaar checkt : wat past, wat niet, wat was er dat hij zelf nog niet zo scherp erkende, enz … Dit werkt verruimend, en verheldert een aantal leercondities.


Rondjes

1. Gewone dobbelstenen
Elke getalwaarde krijgt vooraf een betekenis, bepaald door de begeleider en/of de deelnemers.
Vb.     •    wie één gooit vertelt iets waarover hij vandaag fier kan zijn
••    wie twee gooit geeft positieve feedback aan zijn linkerbuur
••••    wie vier gooit mag aan iemand naar keuze uit de groep feedback vragen

2. Zinnen aanvullen
zie kopie**
- ik erger me aan / omdat …
- ik waardeer …
- ik heb gezien bij mezelf dat ik / bij mijn linkerbuur dat hij …

3. Touwen-rondje
In het midden liggen allerlei touwen, in allerlei materialen, met of zonder knopen, recht of in de war. Iedere kiest een touw dat past bij zijn beleving. Sterk, in de war, in de knoop, opgerold in een bolletje, uitgerafeld

4. Een bolletje touw
Deelnemers zitten in een kring. Een bol touw wordt doorgegooid. De gooier houdt zelf een eindje vast zodat er na het rondje, wanneer iedereen een stukje touw  vast heeft, een spinnenweb van “verbondenheid” ontstaat. Bij het doorgooien stelt de gooier een vraag aan degene aan wie hij de bol gooit. Het kan ook telkens over eenzelfde vraag gaan, die de begeleider stelde als beginvraag bij het rondje.

5. De lucifer brandend houden, het vuur doorgeven
Er is maar de tijd van een brandende lucifer om iets te vertellen. Dat betekent dat de jonger goed moet nadenken vooraf wat belangrijk is om te zeggen. Nog voor de eigen lucifer uitgaat, moet de lucifer van de buur ermee aangestoken worden.

Eén woord kan genoeg zijn. Een woord dat iets zegt over de actie, over het resultaat, over de samenwerking, over het eigen belangrijkste gevoel op dat moment, enz …


Reflecteren aan de hand van natuurmaterialen, of materiaal gebruikt tijdens de actie

1. Een musketon, een achtknoop, …
zijn belangrijk bij beveiligen van klimmers. Na de klimactiviteit kan de begeleider bijvoorbeeld vragen :
- Wat vind je belangrijk om jezelf tegen te beveiligen ? Hoe ga je dat doen ? Symbolisch, om de voornemens die jongeren maken te “verankeren met iets tastbaars”, kunnen jongeren een eindje touw met achtknoop maken en bij zich houden. Een verwijzing van de begeleider naar de achtknoop wordt miischien symbolische taal om de jongere aan zijn voornemen/afspraak te herinneren.

2. De rugzak op tocht
Na een dagtocht, een tocht op kamp kan de rugzak staan voor “wat neem je symbolisch allemaal mee in je leven” ? Wat is nuttig, belangrijk, nodig ? Wat is overbodig ? Waar wil je van af ? Wat wil je niet langer mesleuren ? Hoe kan je dat achterlaten ?

3. Houtblokken, stenen
Afhankelijk van de omgeving, de actie kiezen deelnemers voor een natuurmateriaal dat op die plek te vinden is : stenen van een rots, houtblokken, denappels, … Elk neemt 1 voorwerp en samen geven ze “vorm” aan de groep .
Ligt alles rommelig op een hoopje ? Staan ze mooi in een kring ? Zijn er verschillende groepjes die zich van mekaar niks aantrekken ? Staat er iemand voortdurend buiten de groep ?

Wat vertelt de opstelling over de samenwerking ? Over het gevoel van erbij te horen of niet ? Over de onderlinge relaties ? Wat de jongeren niet willen/kunnen zeggen, kan ook de begeleider in zijn versie van de opstelling aankaarten. Wat heeft hij gezien ?


Werken met bestaande kaartspellen (kwaliteitskaarten, gevoelenskaarten, vaardigheidskaarten, kaarten die groepsdynamiek/sociogrammen verbeelden, OH-kaarten, e.a.,

*Te koop in : Centrum voor informatieve spelen – naamsesteenweg – leuven
Het is zinvol zelf kaarten te maken “op maat” van de jongeren, met een taal die zij kunnen hanteren en kennen. Met woorden die ze zelf (kunnen) gebruiken. Goede tekenaars kunnen kaarten tekenen.

Je kan prentkaarten verzamelen in filmzalen, cafe’s, 2dehands boekenwinkels, postkaarten, of van mooie symbolische foto’s uit boeken en tijdschriften. Er bestaan ook mooie fotoboeken die in een individueel gesprek bruikbaar zijn.



1 reactie
20180418 xiaoou

air max 90

coach canada

longchamp outlet

canada goose jackets

pandora outlet

pandora charms sale clearance

canada goose

canada goose outlet store

pandora jewelry

nike shoes outlet

polo outlet online

cheap ugg boots

jordan shoes

air jordan shoes

chelsea jersey

uggs outlet

longchamp handbags sale

uggs outlet online

michael kors outlet online

mac cosmetics

uggs outlet

polo outlet

cheap jordans

michael kors uk

michael kors outlet online

true religion jeans

longchamp outlet

giuseppe zanotti shoes

michael kors outlet clearance

true religion jeans sale

true religion outlet uk

michael kors outlet

ray ban sunglasses outlet

canada goose outlet online

pandora jewelry

fitflops sale clearance

uggs outlet

pacers jerseys

longchamp solde

warriors jerseys

mont blanc pens

canada goose outlet store

tory burch outlet online

michael kors outlet online

oakley sunglasses uk

polo outlet

mlb jerseys

canada goose outlet online

bucks jerseys

nhl jerseys wholesale

ecco shoes

cheap jordan shoes

canada goose jackets

michael kors wallets for women

polo ralph lauren outlet

canada goose outlet store

salomon outlet

michael kors outlet online

uggs outlet

coach outlet

uggs clearance

oakley sunglasses

oakley sunglasses wholesale

canada goose jackets clearance

michael kors outlet

nike air max 90

nike blazer pas cher

michael kors handbags

kd shoes

ray ban sunglasses

michael kors outlet clearance

ugg outlet

canada goose

canada goose outlet

fitflops sale clearance

coach outlet

ugg outlet

longchamp pas cher

longchamp handbags

mulberry uk

christian louboutin

ugg outlet stores

fitflops

los angeles lakers jerseys

nfl jersey wholesale

mizuno shoes

air jordan shoes

air huarache

burberry outlet online

cheap jerseys wholesale

nike foamposite

louis vuitton outlet stores

foamposite shoes

kate spade outlet

swarovski jewelry

canada goose outlet

cheap football shirts

coach outlet

coach outlet

denver broncos jerseys

canada goose outlet online

ray-ban sunglasses

coach factory outlet

ralph lauren polo

pelicans jerseys

fred perry polo shirts

canada goose jackets for women

ralph lauren polo

canada goose jackets

prada shoes on sale

rolex replica

XIAOOU
Reageer op dit artikel:
security code Veiligheidscode:

Verstuur
From Adventure To Therapy - Luk Peeters
Wat doet de begeleider?
Via Experientia: process and outcomes as they are experienced by the participants
Op zoek naar de passende relatie
The art of reviewing
The active reviewing cycle
Reviewing adventure activities
Reviewing by doing
Doing reviewing
Reviewing
Experiential Learning: What and how?
Reflectiemethodieken
Put on your glasses
Moving active learning forward
At the boundaries of our images
Een model van groepsdynamica
What the research really says!
Driehoek: angst - verlangen - patroon
Kernkwadranten: korte uitleg
Leerstijlen Kolb
Evaluatieschaal begeleidershouding
Procesbegeleiding vanuit 3P model - Karen Vermeylen, 2008
Procesbegeleiding in outdoor-programma’s
Grondhouding
Theoretisch Kader
Ervaringsleren in een notedop
Gebruikersnaam:    Wachtwoord:
Inspired by Echo Design